Adres en contactinfo

Adres en contactinfo

Edingseweg 401
9500 Viane (Geraardsbergen)
Belgie

Telefoon: 0475 36 70 62


E-mail:

Herman Merckaert
 

Openingsdagen en uren

Ma-Zo: Op afspraak

Museum 't Aloam

Historiek


De Oorsprong begint in 1293

Op de Kautermeersch (vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw de Achterste Kasteelmeersch, in de 20ste eeuw de Molenstraat) te Viane ligt de watermolen die zijn drijfkracht onttrekt van een zijtak van de Mark, een zijrivier van de Dender.

De oorsprong gaat terug tot 1293. Op 4 juni van dat jaar kocht de abdij van Sint-Klara te Gentbrugge voor 100 pond te Viane het belangrijk goed te Koudenberg, 63 bunder (95.000 m²) groot, van Geraard, heer van Viane en Ophasselt, en zijn vrouw Maroie. In de oorkonde werd gesproken over de oprichting van een oliewatermolen: Ende op den viver ten Coudenberghe hebben we gheorloft der abtdessen ende den convente… dat si moghen setten eene slachmolen… Hieruit kon niet het bouwjaar van de molen worden afgeleid. In de penningkohieren uit 1571 komt opnieuw het Hof te Koudenberg (vermeld als: Hof van Cauwen-berghe) ter sprake. Het goed, toen 65 bunder groot, omvatte een huis, schuren en stallen en werd door het Sint-Klaraklooster verpacht aan Gillis Vande Huffele. De molens zelf (het gaat over een graan- en oliewatermolen) worden het jaar daarop vernoemd: Steven Stalpaerts houdt beede de muelens deen ten coorne ende den anderen slachmuelen competerende zijne majesteit ten prijze van 262 gulden tsiaers, boven 12 rassieren voor erffelijcke rente…

Hieruit moet blijken dat de Markmolens in de tweede helft van de 16de eeuw niet langer in het bezit waren van de graaf van Egmont, heer van Viane en Moerbeke, maar geconfisqueerd waren door de Spaanse koning. In een document d.d. 10 oktober 1783 wordt Joseph de Bilde vermeld als pachter van de watermeulen tot Viaene. De voornoemde oliewatermolen was dus inmiddels afgeschaft. Ook bij het proces-verbaal van afpaling van de gemeente Viane op 28 maart 1819 was slechts sprake van een graanwatermolen, die toebehoorde aan baron Eustache-Joseph de Blondel de Beauregard (1775-1848) uit Viane en verpacht werd aan Theodoor Orins.

Volgens de eerste kadastergegevens bestond de hele site uit een watermolen (Sectie A 610bis, 50 m²) en een woonhuis met erf (Sectie A 610, 480 m²). De stuwvijver werd gevormd door een uitstulping die de Mark maakte (wat ook vandaag nog de feitelijke toestand is) vóór het rivierwater langs het waterrad werd geleid.  

Van 1848 tot 1905, 2 nieuwe waterturbines.

Baron Lamoral-Alfred de Blondel de Beauregard (1811-1876) erfde in 1848 de hele molensite van zijn vader. Gedurende de hele 19de eeuw werd door de pachter van de baron op traditionele wijze verder gemalen. Pas nadat baron Alphonse-Marie-Ernest de Blondel de Beauregard (1848-1912) de nieuwe eigenaar was geworden, zou hierin verandering komen.

Volgens het kadasterarchief werd in 1889 het molenhuis (Sectie A 610a, 360 m²) gedeeltelijk verbouwd en in 1900 de molengebouwen langsheen de spuikom aanzienlijk uitgebreid met 220 m². Hierbij werd een stoomhuis opgetrokken, zodat nu ook kon gemalen worden op mechanische drijfkracht. Deze werd nogmaals opgedreven door de plaatsing van twee waterturbines (Constructions Electriques de France) in 1905.

  

Van 1919 tot 1932, een nieuwe dieselmotor

Op 23 september 1919 werden voor notaris François Rens de graanwatermolen met molenhuis en afhankelijkheden, de tuin en weilanden door Marie-Hortense van Belle (1869-1939), de weduwe van Alphonse-Marie-Ernest de Blondel de Beauregard, en haar zoon Edouard-Albert (1892-1931) van de hand gedaan. De nieuwe eigenaar-uitbater werd Pierre Driscart (†1937). Hij stamde af van een bekende molenaarsfamilie uit de streek (cfr. de nog bestaande Driscartmolen te Galmaarden, eveneens op de Mark gelegen).


In 1928 liet hij de graanmolen met twee bouwlagen optrekken. In de jaren 1930 werd de site omgebouwd tot een cilindermaalderij (plaatsing van vier en twee cilinders respectievelijk in 1932 en 1937, en nogmaals in 1946). De Mark werd in 1938 overbouwd. Het familiebedrijf kwam toen in handen van Victor Driscart (1892-1964) en zijn zuster Maria (1898-1990). Beide huwden respectievelijk met Marta Mertens (1902-1952) en diens broer Karel (1900-1977). Beide echtparen wisten de onderneming uit te bouwen tot een industriële maalderij. In 1938 werd het bedrijfsareaal uitgebreid met 300 m² en werd er vooreerst over de Mark gebouwd. Tijdens het Interbellum werkten zestien mensen in de maalderij. Na W.O. II werd hun aantal gehalveerd.


De stoommachine moest vanaf circa 1930 plaats ruimen voor een armgasmotor. In 1934, 1939 en 1946 werden telkens dieselmotoren (Carels, ABC in 1968) geïnstalleerd. Op 17 januari 1940 kreeg Meunerie & Cylindres Victor Driscart et Charles Mertens van het Oost-Vlaamse provinciebestuur de toestemming om een tweede dieselmotor van 60 pk in haar bedrijf te plaatsen. Op dat ogenblik telde de graanmaalderij twee waterturbines, twee koppels maalstenen, zes dubbele cilinders, één haverpletter, één dieselmotor van 50 pk en één dynamo van 220 volt en 16 ampère.

De nieuwe dieselmotor uit 1939 zou, net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, gedurende vier maanden dag en nacht gewerkt hebben om al het graan van de lokale boeren te malen, zodat niets in handen zou vallen van de vijand. De huizen naast de maalderij werden opgetrokken door een verwant Leon Driscart, die in het achterliggende bedrijfsgebouw vanaf 1932 een weverij uitbaatte.
 

  

Van glorie tot sluiting

In 1953-’54 werd de maalderij aanzienlijk uitgebreid met 823 m² nieuwbouw. Na een degelijke opleiding aan de maalschool te Gent, nam Charles Mertens (°1925), zoon van Karel, in 1956 de leiding van de familieonderneming op zich. Hij associeerde zich met zijn jongere broer Honoré en werkte voortaan onder de firmanaam Molens Mertens Ch. & H. In 1963-’64 introduceerde Mertens het pneuma-tisch transport, waardoor dubbel zoveel gemalen kon worden.

De molen, inmiddels bekend onder de benaming Mertensmolen, kon op volle capaciteit tot 1700 kg tarwe per uur malen. Het hoge silogebouw was onderverdeeld in 11 kleine silo’s van elk 100 ton. Het aanbod van graan in de zestiger jaren van de 20ste eeuw was zo groot dat Mertens genoodzaakt was achter zijn woning aan de Edingseweg nr. 408 een supplementaire silo van 1000 ton op te richten. Deze silo was beter aangepast aan het inlandse, meestal vochtiger graan (het overige graan was meestal afkomstig uit de USA en Canada).

De verdere modernisering van het machinepark in de maalderij eiste steeds opnieuw zware investeringen, terwijl het rendement daalde. Vooral door gebrek aan opvolging besloot Charles Mertens in juli 1992 dan ook te stoppen met zijn bedrijf.

De Mertensmolen werd in 1996 door de v.z.w. TSAP uit Rotselaar goed bevonden voor de productie van elektriciteit op kleinschalige basis. Er werd een theoretisch beschikbaar vermogen berekend van 4,85 kW, op basis van een verval van 1,7 m en een debiet van 0,247 m³/s. De pegel (stuwhoogte) ligt op 21,45 m en het stuwrecht behoort toe aan de eigenaar.

Het hele complex, zware bakstenen gebouwen van vier bouwlagen onder zadeldaken, stond een aantal jaren te koop. Door een brand van de graansilo waarbij het dak instortte en de leegstand begon het complex te verkommeren.
 

  

2002, de molen wordt gered...

In 2002 kwamen de gebouwen toe aan Herman Merckaert-De Saeger uit Geraardsbergen, aannemer op rust en een aangetrouwd familielid. Dan volgden meer dan drie jaar opruimen, herstellen, renoveren en uitbouwen van een drievoudig museum.

Vooreerst is er de Mertensmolen zelf, die met zijn volledig bewaard mechanisme fungeert als molenmuseum. Het Molenhuis toont ons een woning anno 1930 Blinkende Leuvense stoof, handgemaakte houten meubels, washuis met houten wastoestel, zelfs een badkamer met zinken kuip illustreren het dagelijkse leven uit grootvaders tijd.

Op de bovenverdieping werd een volledig klaslokaal gereconstrueerd. Oudere bezoekers herkennen er ongetwijfeld de lessenaars, griffel en lei en een unieke houten boekentas.

Het ruim twintig meter hoge silogebouw werd hersteld, kreeg zes tussenverdiepingen en werd ingericht als een museum van oude werktuigen (nu al van 12 beroepen): Museum ’t Aloam.

In de kelder van de graanopslagplaats staat een imposante Deutzmotor uit 1935. Het tuig is na vier maanden intensief gesleutel opnieuw in bedrijf. Vroeger dreef het de machines aan die in de silo onder meer het graan verplaatsten, wogen en kuisten.

Op 1 juli 2006 gebeurde de inhuldiging.
Dit lovenswaardig privé-initiatief heeft de Mertensmolen van de ondergang gered.

  

Voorgestelde bescherming en motivatie
(vzw Molenzorg-Molenecho’s)


Het gebouwencomplex en het machinepark (waaronder de twee turbines, de walsenstoelen, de twee maalstoelen, de riemaandrijving), als prachtvoorbeeld van een uit een traditionele watermolen geëvolueerde maalderij die (tot 1992) zowel met dieselmotoren maar ook nog op waterkracht werkte, omwille van de industrieel-archeologische waarde.

Extra factoren:
- de zinvolle herbestemming en de openstelling als museum. - de goede toestand van de gebouwen en het permanent onderhoud door de huidige eigenaar.

  

Samenvatting.

Zeer oude watermolen die al bestond in 1293.
Op 4 juni van dat jaar kocht de abdij van Sint-Klara te Gentbrugge voor 100 pond te Viane het belangrijk goed "te Koudenburg", 63 bunder (95.000 m²) groot, van Geraard, Heer van Viane en Ophasselt, en zijn vrouw Maroie.
In de oorkonde werd gesproken over de oprichting van een oliewatermolen: "Ende op den viver ten Coudenberghe hebben we gheorloft der abtdessen enden den convente... dat si moghen setten eene slachmolen...".

In 1900 werd er een thans verdwenen stoommachine gevestigd. Vijf jaar later werden twee turbines geplaatst, zodat waterkracht toch nog rendabel werd geacht. Bleef zelfs tot in juli 1992 in werking met deze turbines en met een dieselmotor.

Het verval bij de molenstuw bedraagt 1,5 meter.
Op de arm langs deze stuw is tevens een stalen (klep)stuw gelegen met een verval van ca. 1,7 meter.
De pegel staat op een hoogte van 21,45 meter.

In opdracht van AMINAL-afdeling Water werd een studie uitgevoerd over vismigratievoorzieningen op de Mark.

Sinds 2002 is het molencomplex het eigendom van Herman Merckaert uit Geraardsbergen, die de gebouwen heeft ingericht als een museum van oude gebruiksvoorwerpen.

Museum 't Aloam is gevestigd in de vroegere silo en toont ambachtelijk gereedschap van diverse beroepen.